donderdag 28 april 2011

In de KIJKER : Duitstalige literatuur (in vertaling)

Auteurs als Heinrich Böll, Gunter Grass behoren al jaren tot de canon van de Duitse literatuur, maar de laatste jaren zijn er heel wat nieuwe auteurs op het toneel verschenen, die boeiend werk afleverden. Waar de vorige generaties nog worstelden met de erfenis van de Tweede Wereldoorlog komen er nu andere thema’s aan de oppervlakte. Voor schrijvers als Uwe Timm (Rood), Uwe Tellkamp (De Toren), Ingo Schulze (Adam en Evelyn) is de eenmaking van Duitsland een belangrijke inspiratiebron.


Er is ook een groep schrijvers die niet uit Duitsland afkomstig zijn en de immigratie als onderwerp nemen. Herta Müller (Nobelprijs Literatuur 2009), bijvoorbeeld, is uit Roemenië afkomstig. Sasa Stanisic bracht zijn jeugd in voormalig Joegoslavië door (Hoe de soldaat de grammofoon repareert). Lena Gorelik is in Sint-Petersburg geboren (Aardappelsalade per post). Sherko Fatah’s moeder is Duits, maar zijn vader een gevluchte Iraakse Koerd (We gaan als het donker wordt, genomineerd voor de Deutscher Buchpreis).

De Deutscher Buchpreis bekroont sedert 2005 jaarlijks de beste roman die in het Duits geschreven werd. Op de erelijst prijken er tot nu toe overwegend schrijfsters. Enkel Arno Geiger (Met ons gaat het goed) en Uwe Tellkamp (De toren) konden de vrouwelijke dominantie van ondermeer Julia Franck (De middagvrouw) en Katharina Hacker (Lege handen) doorbreken.

Maar in de Duitse literatuur is er ook plaats voor lichtvoetigheid. Zo gaat Daniel Kehlmann in ‘Het meten van de wereld’ op een ironische manier om met het leven van de wetenschappers Von Humboldt en Gauss en is zijn ‘Roem’ een ondraaglijk licht huzarenstukje.

En natuurlijk ontbreekt de thriller niet op het palet van de Duitse literatuur. Op dat vlak zijn Sebastian Fitzek (De therapie) en Andrea Maria Schenkel (Blik op het duister) de grote namen.

Duitse Literatuur in de Kijker

Een citaat bij wijze van uitsmijter :
‘Leve de vergrijzing’



De vergrijzing van het schrijversgild is een zegen. (…)

Sommige Duitse schrijvers lijken uit de doden op te staan. Of, eerbiediger gezegd, ze slaan het statuut van grijze eminentie over en zijn zo tijdloos geworden dat ze vanuit de vergeethoek een opgemerkte comeback kunnen maken. Na tientallen jaren in de luwte en alleen door connaisseurs opgemerkte boeken worden ze door een gretig publiek met eerbied herontdekt – eerlijkheidshalve : meestal is een lovend artikel in een of andere Amerikaanse krant de aanzet voor uitgevers om ze af te stoffen.

Maar kijk in de boekhandel : lezers houden van stokoude schrijvers. Het ‘nieuwste’ boek van Hans Keilson, Het leven gaat verder, dateert van 1933 – de man is ondertussen 102 en geniet pas sinds vorig jaar de volle aandacht. Een stem die het vooroorlogse verleden plots heel dichtbij brengt.

De recentste van Siegfried Lenz, Duitse les, is al eens in 1968 gepubliceerd, maar wordt nu als nieuw gepresenteerd – en het lijkt nog te lukken ook. De schrijver is 85. Net zo oud als Edgard Hilsenrath, wiens wrange sprookjes de jongste maanden opnieuw op verdiende bijval kunnen rekenen.

Misschien heeft het niets met leeftijd of eerbied te maken, maar met een schuldgevoel over onze onvergeeflijke verwaarlozing van de Duitse literatuur. Of gewoon met de populariteit van alles wat naar Tweede Wereldoorlog ruikt. Dat kan. Maar dan nog. Laten we het positief bekijken. Je hoeft geen lid van de Académie Française meer te zijn om onsterfelijk te worden terwijl je nog (nauwelijks) leeft.


Peter Jacobs in De Standaard der Letteren, 6/05/2011, p. 2

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen